|
|
Mobiele telefonie in Nederland
Voordat er GSM was, kon men ook al in zekere zin mobiel bellen. Dit
ging echter met een slechte kwaliteit en de benodigde apparaten konden
maar met moeite in een personenauto ingebouwd worden. Tot overmaat van ramp had elk land zijn eigen
standaarden zodat apparatuur uit het ene land niet werkte in een ander land.
We spreken nu 1945,
net na de Tweede Wereldoorlog. Zoals wel meer goede uitvindingen was ook
de uitvinding van de eerste draagbare telefoons van oorsprong voor een militair doel. Het nationale mobiele noodnet
in Nederland had tot doel het door de oorlog verwoeste vaste net te vervangen
tot dat net hersteld was. Alleen de overheid en sommige geallieerden mochten
gebruik maken van dit mobiele noodnet, dit alles in het kader van dat het het landsbelang moest dienen.
Het in 1949 opgerichte OLN (Openbaar Landelijk Net) werd opengesteld voor
iedereen die er gebruik van wilde maken. De primeur van een eerste aansluiting
op het OLN is op 14 april 1949 weggelegd voor zandzuiger 'Beverwijk IV'
van de Hollandsche Aannemingsmaatschappij Zanen en Verstoep in Den Haag.
Met het Openbaar Landelijk Net werd het opeens mogelijk om een voertuig
vanaf elke willekeurige telefoon te kunnen bellen. Dit ging overigens altijd
met tussenkomst van een telefoniste en men moest ook weten waar het voertuig
zich ongeveer bevond (binnen een straal van 25 kilometer). Het betrof daarnaast steeds simplex-verbindingen: men kon niet tegelijk praten en luisteren. Er kon maar 1 persoon tegelijk aan het woord zijn.
De volgende ramp die Nederland zou treffen, de watersnoodramp in 1953
die meer dan 1800 mensen het leven heeft gekost, bewees wederom dat het
belangrijk is te kunnen communiceren wanneer het vaste telefoonet niet
meer beschikbaar is. Door het water waren veel van de toen nog bovengronds
gebouwde telefoonpalen verwoest: het vaste telefoonnet in Zeeland was
niet operationeel. De vraag naar capaciteit op het OLN werd hierdoor
zo groot dat in allerhaast extra capaciteit werd bijgebouwd in Zeeland:
in Goes en Zierikzee werden extra mobiele basisstations ingericht.
In 1970 werd het OLN gemoderniseerd met een tooncode, zodat de gesprekken
die gevoerd werden niet meer voor iedereen af te luisteren waren. Het
was nog verre van ideaal, maar de volgende stap voorwaarts zou pas 10
jaar later volgen.
In 1980 werd besloten om een geheel nieuw landelijk geautomatiseerd
autotelefonienetwerk op te zetten: ATF. Het ATF was niet meer op basis
van simplex-verbindingen en het werd ook mogelijk om telefoons direkt en apart aan
te kiezen. Wel werd Nederland opgedeeld in drie ATF-netnummergebieden:
noord, zuid en west. Net als met het OLN moest de beller weten waar de
gebelde zich ongeveer bevond.
In 1985 werd ATF-2 in gebruik genomen. ATF-2 was een netwerk dat gebaseerd
was op het NMT-systeem uit Scandinavië. Het NMT-systeem werkte op
de 450 MHz-band. Later zou dit netwerk ook NMT-1 of NMT450 worden genoemd.
De capaciteit was in het begin zo'n vier keer groter dan van het oude
ATF en de kwaliteit was een stuk beter. Het OLN werd in datzelfde jaar
voorgoed buiten gebruik gesteld. De vraag naar mobiele telefonie groeit
zo erg dat ook het ATF-2 niet meer voldoende capaciteit geeft.
Op 12 januari 1989 wordt daarom het derde autotelefonienetwerk in gebruik
genomen: ATF-3. Dit netwerk opereert binnen de 900 MHz-band. Inmiddels
wordt er op Europees niveau gezocht naar een digitale vorm van telefonie.
In 1988 is men daarmee begonnen, in 1994 werd het eerste digitale telefonie
netwerk in gebruik genomen: GSM. In 1999 werden de ATF netwerken permanent buiten
gebruik gesteld.
|
|
|